Oke oke er is al veel te veel over dit onderwerp geschreven, dus ik besef terdege dat ik weinig exclusief ben. Maar ik ga toch ff iets schrijven over Twitter. Niet omdat het HET ultieme communicatiemiddel is waar we al jaren op zaten te wachten en ook niet omdat ik anti ben. Maar wel omdat je tussen de regels – nou ja, tweets dus – door veel kunt leren over de tijdsgeest waarin we leven. Of andersom: de tijdsgeest waarin we leven bepaalt de populariteit van Twitter. Het is maar net waar je wil beginnen.
Vorig jaar had ik her en der al leuke gesprekken over de populariteit van de toepassing zelf. Twitter kan – zoals ook andere sociale netwerken – gezien kan worden als een getuige van een trend richting een soort re-connectiviteit in een wellicht doorgeslagen individualistische samenleving. De service kan daarbij functioneren als laagdrempelige manier om opnieuw contact te houden met de buitenwereld. Maar dan wel bij de oudere generatie. Want het zijn niet de tieners en twintigers die de grootste groep op Twitter vormen en twitterfeestjes organiseren. Zij zoeken elkaar liever gewoon nog spontaan in de kroeg op en hebben daar ook alle ruimte voor.

Maar de manier waarop we dat doen dunkt me als lichtelijk autistisch. Misschien is het specifiek voor de groep die ik volg, maar het valt me steeds opnieuw op dat de meerderheid van de Tweets – hoe verschillend ook in onderwerp – dezelfde boodschap in zich dragen. Namelijk dat de mensen achter de tweets een behoorlijk druk en bevredigend leven hebben. De meesten twitteren dan ook dat ze:
a) … ergens zijn. Bij een vergadering, een afspraak buitenshuis, een concert, in de trein, de auto, een restaurant, een ouderavond, een voetbalwedstrijd
b) … hard aan het werk zijn. Het liefst ook nog op een tijd dat je dat eigenlijk niet hoort te doen. Hoe vroeger in de ochtend of later in de avond, hoe beter.
c) … een druk sociaal leven hebben – met een gezin, leuke kinderen, vriendjes, vriendinnetjes, en heel belangrijk: live aanwezige andere tweeps
d) … op gezette tijden heel bewust even aan het relaxen zijn. Uitspraken als ‘zo nu even relaxen’, ‘vandaag eindelijk uitgeslapen’ en ‘nog even de krant lezen voor bedtijd’, zijn daarbij opnieuw een bevestiging van het drukke leven dat ze leiden.

Het lijkt een rare tegenstelling dat Twitter enerzijds voortkomt uit de behoefte aan connectiviteit en aan de andere kant met name wordt gebruikt als platform waarop mensen laten zien dat ze toch eigenlijk al een onzettend druk en vol leven hebben. Of toch niet? Toen ik laatst voor de zoveelste keer in mijn saaie bescheiden leven op de bank hangend naar een interview met filosoof/psycholoog Trudy Dehue zat te kijken, sprak zij over ‘druk zijn’ als status. Volgens Dehue zitten we in en maatschappij waar je agenda volplannen en carriere maken de status quo is. Doe je dat niet, dan denken mensen al snel dat je depressief bent. De redenering van Bas Haring (in het boekje ‘Voor een Echt Succesvol Leven‘) schoot ook onmiddellijk door mijn hoofd. Succes betekent dat je moet groeien in je activiteiten, altijd maar groeien. Mensen die hun rustig kabbelende leven wel best vinden – geen heftige carriere hebben, niet graag hard werken en geen kinderen krijgen, hebben geen ’succes’. En als je dan toch op Twitter zit om nieuwe vrienden te maken, dan moet je op zijn minst die kant van jezelf tonen die in maatschappij past. De kant die het meest lijkt op het witte konijn uit Alice in Wonderland.
Mijn bescheiden conclusie: We kunnen aan anderen laten zien dat we bestaan – en zelfs leuk zijn – door aan te tonen dan we druk zijn. Twitter is de plek waar we zoeken naar waardering voor dit bestaan. Waardering van zo veel mogelijk andere leuke, dus druk bezette, mensen.
*Pics by Pixar & Jachli

Het begint erop te lijken dat het tij heel langzaam keert. De voortgaande recessie en de grote toestroom van nieuwe studenten die niet vooraf financieel wordt gecompenseerd hebben er voor gezorgd dat de kritiek van universitaire besturen op de overheid aardig aan begin te zwellen. Met deze kritiek komt ook de onvrede over het reeds bestaande financieringssysteem en de angst voor nieuwe bezuinigingen bovendrijven. Men beseft dat het onderwijs lijdt onder het systeem, evenals de onafhankelijkheid van sommige wetenschappelijke disciplines die niet in het toegepast onderzoek thuis horen.

Tijdens de opening van het Utrechts Academisch Jaar ging de voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Academie voor de Wetenschap er luid en duidelijk op in: De overheid claimt de kennismaatschappij en leurt met internationale ranglijstjes, maar de rijksinvesteringen in het onderwijs zijn het laagst van heel Europa. Vormen van niet-collectief of bedrijfsgefinancierd onderzoek komen in het gedrang, kleine opleidingen verdwijnen en de kwaliteit van grote opleidingen gaat hard achteruit. Tot slot werd de maatschappelijke rol van onderzoekers ook onder de loep genomen: “Al die prachtige initiatieven ten spijt, moet het begrijpelijk naar buiten brengen van wetenschap naar een breed publiek ook bij universitaire bestuurders en collega- onderzoekers gaan meetellen. Onderzoekers verdienen nu weinig bonuspunten met publiekslezingen, scholiere activiteiten of andere inspanningen richting maatschappij”, aldus meneer Dijkgraaf. En van ‘weinig’ kun je gerust ‘geen’ maken.
Net als in de economie en de politiek schommelt de status van de wetenschap in een soort conjunctuurgolf tussen plus en min, tussen links en rechts, tussen toegepast bedrijfsmatig en onafhankelijk publiek. Laten we hopen dat we van dat laatste de komende tijd meer zien.
“Publieke zenders één pot nat”, zo kopte de Telegraaf een week geleden. Uit een “representatief onderzoek” – dat is belangrijk natuurlijk, al was het maar omdat het beter klinkt - onder 678 personen in opdracht van Wakker Nederland (dus ook de Telegraaf) zou blijken dat mensen zich niet of nauwelijks verbonden voelen met publieke omroepen en vaak niet zouden weten van welke omroep programma’s afkomstig zijn. Onderzoeken in opdracht van partijen met een bepaald belang vind ik altijd een beetje eng, maar de uitkomst van dit onderzoek wil ik wel geloven. De ontzuiling was al bezig voordat Nederland ‘wakker werd’, zullen we maar zeggen. De conclusies die Wakker Nederland naar aanleiding van het onderzoek trekt, zijn echter typisch.
“Dit onderzoek bevestigt dat er behoefte is aan omroepen met een heldere signatuur. Zo was het bestel ook ooit bedoeld”, zegt Fons van Westerloo, voorzitter van WNL. “Meer dan 70.000 mensen zijn lid geworden van WNL, dat zijn allemaal personen die weer duidelijkheid willen.”
Nou nee, beste meneer van Westerloo. Het onderzoek bevestigt dat goede programma’s voor de kijker belangrijker zijn dan de omroep of het merk dat er achter zit. En elke omroep maakt goede en slechte programma’s, dus kijkers verzamelen naar eigen smaak van alles wat. Ondanks de nieuwe reclames van KPN en kabelaars stelden wij eigenlijk al heel lang onze eigen TV avond samen. Die 70.000 mensen die lid zijn geworden van WNL zijn dus NIET op zoek naar een opleving van het oude omroepbestel, maar hopen dat er bij uw omroep nog een aantal programma’s te halen valt waar zij zich in kunnen vinden.
De rest van Nederland denkt overigens van niet.
Nu snap ik waardoor het komt …
Eigenlijk ben ik nooit zo van de tijdschriften. Vroeger las ik de Bobo, de Taptoe, de Tina, en en de Yes van voor naar achter en kon daarna niet wachten op het volgende nummer. Maar dat is al vijftien jaar geleden. Ik denk dat ik teveel te lezen of te scannen heb ik mijn dagelijks leven, vooral via de computer. Maar ook als de lettertjes nog niet voor mijn ogen dansen, kies ik eerder voor een boek dan een tijdschrift. In een tijdschrift zijn er vaak maar een paar dingen die ik boeiend vind, de rest zijn pagina’s met regels zonder betekenis, aangevuld door advertenties.
Toch heb ik, op een zonnige ochtend waarop de koffie op was, er weer eentje meegenomen uit de supermarkt. Flow Magazine, stond erop. De naam riep het gevoel op van de reeds bestaande tijdschriften a la Mind Magazine en Happinez die zich bezig houden met immateriele zaken als mindfulness en geluk, met name voor de vrouw. Maar het was vooral de dikke matte kartonnen kaft met vrolijke streepjes, die deze keer de aandacht trok. En zo bleef het ook na het openslaan van in het tijdschrift. Ik vond verhalen afgewisseld met pagina’s van sfeerbeelden, kunstwerkjes op A4-formaat, ertussen opeens weer een gedichtje of een advertentie die grotendeels gestript is van al zijn schreeuwerigheid (en dus gelezen wordt omdat ie er niet uitziet als een advertentie). Het is een sfeer waar je wel van moet houden, het zit vol met tirelantijntjes en tekeningetjes – ik kwam een tekening tegen die erg op de Fail Whale leek en iets anders dat het werk van oud-dorpsgenote Geertje Aalders bleek te zijn – waar je op een cynische depressieve dag niet mee aan moet komen. Bij mij was het de zon, het vooruitzicht op koffie tezamen met de vrolijkheid en simpelheid van het tijdschrift dat me deed besluiten om ‘t tijdschrift te kopen.
Toch lijkt de esthetiek van het tijdschrift meer dan een glanslaagje dat helpt om gezien te worden. Ik betrap mezelf erop dat ik het telkens weer oppak om het volgende artikeltje te lezen, maar ook om de plaatjes te bekijken en het papier te voelen. Het hele tijdschrift ademt ‘feel-good’ op een manier die het Internet nooit zou kunnen. Marshall McLuhan kan zijn hart weer eens ophalen. Wellicht is er toch nog hoop voor de kranten.



